door Ton van der Kroon
mei 1997, vier mannen lopen ergens in de Pyreneeën --------------------------------------------------------------------------- “De ergste momenten in m’n leven zijn wanneer ik mijn intuitie niet gevolgd heb.” “Waarom?” “Omdat ik me dan voor m’n kop kan stoten. Ik wist wat ik moest doen maar deed het niet.” “Lopen we nog goed?” “Ik weet het niet....” “Dan wordt ik eerst kwaad, en vervolgens verdrietig en uiteindelijk eenzaam....” “ik heb al een half uur geen tekens meer gezien.” ”Waarom eenzaam?” “Omdat ik gewend ben om tekens te zien, signalen of noem het ingevingen. Dan weet ik dat ik verbonden ben met een groter geheel, dat me leidt en....” “Ja, praten jullie maar door, maar ik heb al een half uur geen merktekens meer gezien op de bomen.” “Nu je het zegt.” “Waar zijn de anderen?” “Die liepen voor ons uit, maar dat is al een uur geleden.” “We hadden al lang over de bergketen moeten steken. Dit klopt niet.” “Wie heeft de kaart?” “Ik. In mijn rugzak.” “Blijf even stilstaan, wil je.” “Achtervakje rechts....Geloof ik.” “Hier, we lopen hier.” “Hier?” “Ja, kijk, daar is een dorpje. Dat moet dit hier zijn. Kijk. En hier staan wij. En hier loopt het pad dat we hadden moeten nemen....” “We lopen al een uur op de verkeerde weg.” “Die halen we nooit meer in.” “Shit, we zijn verdwaald.” “Ik had al zo’n voorgevoel....” In het voorjaar van 1997, tussen hemelvaart en pinksteren, liep ik met een groep van tien man door de zuid Franse Pyreneeën. Vetrekpunt was Narbonne, eindpunt de oude burcht van de Catharen, de Montsegur. Ik begeleidde de tocht samen met Jan Roelofs, die ik kende via het mannenwerk en een goede vriend was geworden. “Ik denk dat we terug moeten, en de goede afslag moeten zoeken.” “Dat is een uur terug.” “Of vooruit. Kijk, hier loopt ook een pad.” “Ja, maar dat is evenlang als terug.” “He, wacht eens, hier loopt een stippellijn dwars over de bergrug. Als dat een pad is....” “”Ik denk dat we echt terug moeten, Ton.” “Ja, maar jij hebt lange benen. Dat is twee uur extra, en we hebben al een lange tocht te gaan. Als we hier dwars overheen kunnen steken...” “Als je het pad vindt...” “Laat me ‘t proberen. ‘t kan niet ver terug zijn.” We waren met z’n vieren. Jan, ik en twee deelnemers. De rest van de groep had waarschijnlijk de juiste afslag genomen, en stond ons vergeefs op te wachten op het afgesproken punt. Ik zocht in mijn eentje naar het pad, en raakte steeds dieper verstrikt in ‘t bos. Opeens vond ik een pad, overwoekerd en vervallen, maar het liep lángs de bergketen, en niet eroverheen. Ik riep de anderen. “Dit houdt op hier.” “Aan deze kant ook. Er is geen doorkomen aan.” “Ik vrees dat we vast ziten.” “We verliezen tijd hier.” “Waar is de kaart?” “Hier. Ik zie ‘t. We zitten op een oude Grande Randonnee. Maar waar precies is niet duidelijk. ‘t kan overal zijn. “ “laten we nu maar terug gaan. Ik heb hier genoeg van.” “Wacht Jan, ik heb een voorstel. Laten we mediteren en ons afstemmen op de beste oplossing.” Zo zaten we, midden in het bos, in stilte. Enkele vogels vlogen om ons heen. Eerst achter ons, toen rechts en uiteindelijk voor ons. Terwijl ik luisterde kreeg ik het merkwaardige gevoel dat er iemand aan m’n schouder trok. “Hier.” “Waar?” “Hier, achter je.” “Ik zie niks.” “Niet met je ogen; met je hart.” Achter me stond een klein wezentje, +/- een halve meter hoog, met lange bruine benen, groene kleding en een soort muts. “Als je een paar meter omhoog klimt zie je het pad.” “Dit is niet wáár...” “Het is wel waar, ga maar kijken.” Ik zweeg. “Ik denk dat de vogels ons de weg wijzen,” zei Karel, een aardige man van in de vijftig, voormalig accountant en een van de deelnemers. “Eerst terug, en dan naar links.” “Klopt, het pad is hier vlakbij.” “Hoe weet je dat?” “Nou, eh.....Er was een soort wezentje dat aan mijn jas trok, en eh.. hij zei dat ik een paar meter omhoog moest klimmen......” “Een kabouter?” “Nee, niet echt. Of misschien toch wel. Het was meer een elf. Een soort elf.” “Waar wacht je op?” “Je bedoelt dat ik omhoo....” “”Ja, en als dat niet lukt gaan we gewoon terug. Het wordt nu al laat als we aankomen.” Ik klom omhoog, klauterde over enkele rotsen en kwam al ras boven de boomgrens uit. Aan de linkerkant zag ik een inham in de bergketen. Aan de andere kant ervan lag een pad. Het liep rechtstreeks over de bergkam heen. Het wezentje zat naast me, gehurkt. “Zie je wel.” Ik was verbluft. Als ik dit verzonnen had, was het wel griezelig nauwkeurig, bedacht ik me. Het pad lag precies waar het wezentje had gezegd dat het lag. Als ik niet omhoog was geklommen, hadden we het nooit gevonden. “Hoe kan ik je bedanken?” vroeg ik. “Door de anderen over ons te vertellen.” Ik legde wat gedroogd fruit en nootjes neer en vertrok, en beloofde hem en mijzelf dat ik het zou vertellen. Het pad dat we liepen was een oud, goedgebouwd pad, deels uitgehakt in de rotsen, deels tegen de rots aangebouwd met grote stenen. Het moest een oude Noord-Zuid route zijn geweest voor ezels en kooplui, die sinds lange tijd in onbruik was geraakt. Het pad klom gestaag, en na een uur klimmen parelde bij iedereen het zweet op het voorhoofd. Het was warm en op het heetst van de dag. Gelukkig kregen we schaduw van de bomen die hogerop op de berg groeiden. Het was een merkwaardig bos. “Zie jij iets?” vroeg Karel. “Hoezo?” “Ik heb het idee dat het er meer zijn,” fluisterde hij. Inderdaad was me al geruime tijd opgevallen dat ogen ons volgden. Ik voelde nog steeds de aanwezigheid van het wezentje, maar er leken er steeds meer bij te komen. Vanachter bomen en struiken kwamen ze tevoorschijn en volgden de vier mannen die - naar het scheen - door hun territorium liepen. “ik zie niks.” “Nee, je ziet ook niks. Je moet het voelen.” “Maar hoe dan?” “Ja, dat kan ik ook niet uitleggen. Ik zie ze gewoon.” “En zij zien ons?” “Ja, net zoals ik jou zie.“ Hun angst en schroom voor mensen overwinnend kwamen ze steeds dichterbij; mannetjes, vrouwtjes, kleintjes, ouden en jongen. Ze volgden ons nieuwsgierig, en de elf die mij de weg had gewezen was wat trots op zijn nieuwe vrienden. “Dit is mijn volk,” legde hij uit. “Jullie wonen hier?” “Ja, sinds we door de mensen verdreven zijn uit de dalen.” “Oooh,” zei ik. “Hoe kan ‘t dat ik jullie zie?” “Doordat je in ons gelooft.” “Dus het is een questie van geloven...?” “En je voor ons openstellen.” “Maar geloven? Kan het dan niet zo zijn dat ik jullie verzin?” “Ja, maar niet zoals jij bedoelt. Door in ons te geloven geef je ons zin, worden we meer wie we zijn. Verzinnen is zoiets als waar maken. Je creeërt mee aan de schepping, maar wij zijn geen fantasie die niet bestaat. We bestaan wel degelijk, alleen niet in jullie gezichtsbereik.” “Kunen jullie ook door onze ogen kijken?” vroeg ik. “Als je ons toestemming geeft, wel ja.” “Wil je dat?” Ik hoorde overal ‘JA’ om me heen. “OK, ga je gang,” en ik voelde hoe vele ogen door de mijne heen mee keken. Maar in plaats van herkenning en plezier door deze uitwisseling voelde ik een enorme shock en verdriet bij het volkje. Het ‘oogcontact’ stopte. “Wat is er?” vroeg ik. “Wat gebeurt er?” De elf kwam naar me toe. Ook hij was aangedaan. Langzaam verwoordde hij wat er gebeurd was. “Toen we door jouw ogen keken, zagen we onszelf niet meer. We zagen de bomen, maar niet hun ziel. Alleen hun levenloze uiterlijk. Alles was hetzelfde, maar niet meer levend. En zonder ons.” Hij zweeg. “Dit is zoals mensen de dingen zien,” zei ik enigzins verontschuldigend. “Nu begrijp ik waarom mensen met de natuur en met ons omgaan zoals ze doen. Ze zien het niet.” “Nee,” zei ik. We liepen in stilte verder. De anderen hadden zich enigzins terugetrokken en volgden ons op afstand. Het bos werd donkerder en geheimzinniger. Er was enige opgewondenheid bij de ‘Elfen’. “Je zult onze oudste ontmoeten, Oberon.” “Dé Oberon uit de sprookjes?” vroeg ik ongelovig. “Nee, voor ons is Oberon een titel, geen naam. Het betekent zoiets als koning of stamoudste.” Na enige meters kwamen we bij een open plek in het bos en tussen de bomen door kwam hij aan. Een ietwat dikker, maar even groot wezentje, met iets wat leek op een mantel en een kroon. “Welkom, Ton, we verwachtten je. We hadden van je komst gehoord.” “Oh. Fijn om u te ontmoeten.” “Dat is wederzijds. We hebben veel te bespreken.” Hij wandelde met me op en vertelde over zijn volk. Hij vertelde ook hoe hij in tweestrijd leefde met een volk verderop, en of ik als bemiddelaar wilde optreden. “Maar ik heb een belangrijker vraag aan je,” zei hij opeens en keerde zich naar me toe. Onze volken, het jouwe en het mijne, zijn al lang van elkaar gescheiden geweest. Te lang. Het wordt weer tijd dat er weer verbinding komt tussen de mensen en de natuurwezens. Wil je ons daarbij helpen? Je spreekt beide talen en er zijn mensen nodig die als tussenpersoon optreden. Wat denk je?” Ik stopte. Hij stak zijn hand uit. Ik pakte hem aan, en in een lang, lang moment voelde ik hoe we één werden, hoe alles wat hij wist in mij stroomde en omgekeerd, en we in het diepst van onze ziel verbonden werden. Mens en natuur, wezens in verschillende dimensies, zichbaar en onzichtbaar. “Ik ben bereid,” zei ik zacht.Katharen top tien - De Da Vinci Code. Dan Brown, uitgeverij Luitingh-Sijthoff - De Katharen en de val van de Montsegur. Bram Moerland, uitgeverij Mirananda - De weg der Katharen, dertien zangen van een troubadour. Marcel Messing, uitgeverij Ankh Hermes - De religie van de Katharen, oorsprong en inwijding. Jean Blum, uitgeverij Ankh Hermes - De vrouw met de albasten kruik. Margaret Starbird, uitgeverij Ankh Hermes - Maria Magdalena of het lot van de vrouw. Hans Stolp, uitgeverij ten Have - Het heilige bloed en de heilige graal. Baigent e.a. uitgeverij Tirion - De erfopvolgers van de Graal. Laurence Gardner, uitgeverij Tirion - De Heilige Graal, een legende voor deze tijd. Malcolm Godwin, uitgeverij Elmar - Het geheime boek der Grootmeesters; Maria Magdalena, Johannes de Doper en de ware identiteit van de Messias. Lynn Picknett, uitgeverij Tirion
Reacties