Deel 3, Parijs
herfst 2004 Vroeg in september vertrek ik met een vriend van mij, Karel van Huffelen, richting Zuid Frankrijk. Hij om een boek te schrijven over Maria Magdalena, ik om een Katharenweek te begeleiden. We hebben besloten om samen te reizen en onderweg enig onderzoek te doen in Parijs met als hoofddoel de Notre Dame, het hart van de stad en in feite het hart van heel Frankrijk. Onze eerste bestemming is echter de abdij van Tongerlo in Vlaanderen. Daar moet een copie hangen van het laatste avondmaal van Leonardo da Vinci, geschilderd in zijn eigen tijd. De copie is op doek geschilderd en veel beter bewaard gebleven dan het origineel in Milaan, dat op de kalkstenen muur in de loop der eeuwen verweerd is geraakt en enkele malen is overgeschilderd. We hebben het kleine dorpje op de kaart omcirkeld en stoppen op het dorpsplein om de weg te vragen. “Awel,” zegt de bakkersvrouw, en ze lacht uitbundig. “De abdij van Tongerlo, dan bent u gans verkeerd. Dit is Tongerlo in Limburg en u moet in Tongerlo bij Antwerpen zijn. T’is een uurke rijden van hier.” Om onze eerste mislukte poging te compenseren koop ik een grote bol met gele room van de bakkersvrouw. “Awel, goede reis, hè,” en ze wuift ons uit. Een uur later arriveren we in Tongerlo Antwerpen. Een brede oprijlaan van oude kastanjebomen leidt ons naar de imposante ingangspoort van de abdij. Het is stil in de abdij. Een enkele monnik loopt in smetteloos witte pij over de grote cour. We volgen het bordje naar ‘Het laatste avondmaal’ en komen bij een modern gebouw uit, dat speciaal is neergezet om het grote schildersdoek te herbergen. Bij de ingang zit een oude monnik knikkebollend over zijn bijbeltje te slapen. We lopen het gebouw binnen en vallen beiden helemaal stil. Daar hangt ze: het meesterwerk, in al haar glorie, helder, groots en meeslepend. Een perfecte copie. Christus in het midden, de apostelen eromheen; handen die wijzen en gebaren, eten op tafel, zelfs de ragfijne lijnen van de kristallen glazen zijn goed te zien. Het schilderij beeldt het moment af waarop Jezus zegt dat een van hen hem zal verraden. “Niet ik, niet ik,” gebaren alle apostelen driftig. Er is er echter eentje die in alle rust aan tafel zit: de apostel links naast Jezus. Deze apostel heeft de handen gevouwen, de ogen neergeslagen. Dit is de apostel waar onze aandacht naar uitgaat en hoe we ook kijken of denken, we kunnen niet anders dan tot de conclusie komen: dit is absoluut een vrouw, en geen man. De verfijnde trekken van het gezicht, de amandelvormige kin, de ronde wenkbrauwen, de verfijnde handen. Om hier Johannes in te zien moet je toch echt de waarheid geweld aandoen. Hoe bestaat het dat we eeuwenlang een van de beroemdste schilderijen verkeerd geïnterpreteerd hebben? De vraag blijft alleen: Als Johannes Maria Magdalena is, waar is dan de twaalfde apostel? We vinden een antwoord in de kleine tentoonstelling die rondom het doek is ingericht en enkele oudere middeleeuwse prenten van ‘Het laatste avondmaal’ toont. Op de alleroudste werken zijn namelijk dertien, in plaats van twaalf apostelen te zien. ‘Per abuis staan hier dertien apostelen getekend,” vermeldt het onderschrift. De kerkelijke schaamte stijgt ten top als blijkt dat de dertiende apostel niet tegen Jezus aan, maar óp zijn schoot zit. ‘Een foute interpretatie van de bijbeltekst,’ legt het onderschrift haastig uit. We lopen het gebouw uit en nemen afscheid van het meesterwerk, dat op ons netvlies achterblijft. We wandelen nog wat in de tuin en zetten koers naar Antwerpen, waar ik die avond een lezing moet geven. De volgende dag rijden we via Kortrijk richting Parijs. Vlak voor Parijs nemen we een Formule-1 Hotel, de meest goedkope en wansmakelijke hotelketen die ooit bedacht is. De kamer is een soort cabine met douche en WC waar we net inpassen, maar het voldoet.. We zetten de bagage neer en rijden verder Parijs in. Ik loods Karel rechtstreeks naar het Ile de la Cité en we parkeren in een garage vlak onder de Notre Dame. Hier, op dit plein, staat de geschiedenis van Frankrijk geschreven. Het is het centrum van Parijs en het centrum van Frankrijk. Alle snelwegen vinden hier hun oorsprong en de afstand tot alle Franse steden worden gemeten vanaf dit punt. De Périphérique loopt er in een perfecte cirkel omheen en benadrukt het heilige der heilige: het magische middelpunt van het land. De cirkel weerspiegelt zich in het grote roosvenster boven de ingang van de kathedraal. Daarnaast de twee stompe torens; de rechtertoren met het beeld van Adam en de linkertoren met het beeld van Eva. In het midden twee engelen en Maria met het kindje Jezus op de arm. We besluiten de kerk, die onlangs is schoongemaakt, te gaan verkennen, in de hoop dat we sporen van Maria Magdalena vinden, maar hoe we ook kijken of zoeken, er is niets wat speciaal onze aandacht trekt. Er is een oude kapel voor Maria Magdalena die door de bekende restaurateur Violet le Duc zelf is geschilderd, maar daar houdt het mee op. Niets geen aanwijzingen of anderszins opmerkelijke zaken. We besluiten een Belgisch biertje te drinken in het café naast de kathedraal en betalen het astronomische bedrag van 18 euro voor twee pils. We zitten er wat verslagen bij en kijken naar de grauwe wolken boven Parijs. “Waar komt eigenlijk de naam Parijs vandaan?” vraagt Karel. “Paris”, filosofeer ik, is de naam van de Griekse held die de mooiste godin moet uitkiezen, maar uiteindelijk Helena van Troje verkiest boven de anderen. De jaloezie van de godinnen leidt uiteindelijk tot de Trojaanse oorlog. Maar wat Paris te maken heeft met de stad Parijs weet ik niet, behalve dat het allemaal draait om de vrouw....” “Zou het kunnen dat de naam Paris te maken heeft met Isis?” vraagt hij. “Dat lijkt me onwaarschijnlijk,” antwoord ik. We kijken van het plein naar de kathedraal en weer terug. Niets. “Toch heb ik het gevoel dat we iets over het hoofd zien,” zegt hij. “Iets dat vlak voor onze ogen ligt, zo simpel, waardoor we het niet zien.” We besluiten naar een andere kerk te lopen die wordt genoemd in ‘de Da Vinci Code’ van Dan Brown: De Saint Sulpice in het Quartier Latin. De kerk ligt niet ver weg en na enig zoeken betreden we de donkere ruimte van de kerk. Het schemert inmiddels en we kunnen nog net naar binnen. Vlak voor het altaar ligt een koperen lijn in de grond die gebaseerd is op de oude nulmeridiaan die door de piramide van Gizeh in Egypte loopt. Het is de tijdslijn die als basis werd gebruikt om alle klokken en tijden over de hele wereld op af te stemmen, totdat in 1884 werd besloten de nulmeridiaan te verleggen naar Greenwich bij Londen. Een klein camerateam filmt de obelisk waar de koperen lijn naar toeloopt in de hoek van de kerk. Naast de obelisk hangt een bordje waarop staat: ‘Volgens een onlangs verschenen roman zou deze kerk een oude hermetische tempel zijn. De roman is echter pure fantasie en de tijdslijn is louter een aanwijzing voor de grootsheid van God, die de tijd heeft geschapen.” Einde bericht. De kerk wil er nog steeds niet aan. Maar wij komen inmiddels ook niet verder. We bezoeken de crypte onder de kerk waar we terecht komen in een dienst van een viertal Roemeense Orthodoxe Christenen. De priester heet ons vriendelijk welkom en we luisteren naar zijn mooie gezang. Iets trekt me naar de ruimte achter het altaar, maar er is geen mogelijkheid om om de priester heen te komen. Na enige tijd geluisterd te hebben verlaten we de crypte en sluiten de avond af met een hapje eten in een klein Italiaans restaurant. De volgende dag scheuren we over de snelweg naar het zuiden van Frankrijk. We zijn allebei stil. Hebben we iets gemist? Zijn we op zoek naar iets wat er niet is? Heeft Maria Magdalena niets te maken met de Notre Dame? In een wegrestaurant vind ik een boek over Parijs en ik sla het open bij de Notre Dame. Daar lees ik dat de kathedraal tijdens de Franse Revolutie ernstig werd vernield en in een deplorabele toestand verkeerd. Het is Victor Hugo die zich het lot van de kathedraal aantrekt en er voor zorgt dat ze hersteld wordt, niet in de laatste plaats door het succes van zijn roman ‘Notre Dame de Paris’. Opeens valt het kwartje. Victor Hugo was grootmeester van de Priorij de Sion, het genootschap dat de afstammingslijn van Jezus en Maria Magdalena beschermde. Ook Leonardo was in zijn tijd hoofd van dit gezelschap. Zou het kunnen dat Victor Hugo in zijn roman enkele aanwijzingen heeft achtergelaten over de ware aard van de kathedraal en de rol van Maria Magdalena? Ik duikel een Franse versie op van de roman, bij ons beter bekend als ‘De Klokkenluider van de Notre Dame’ en begin te lezen. De gebochelde klokkenluider Quasi Modo wordt verliefd op het zigeunermeisje Esmeralda, en wordt tegengewerkt door de kardinaal, die jaloers is en de liefde van het meisje probeert te krijgen. Esmeralda is echter verliefd op een jonge kapitein. De roman loopt tragisch af: Esmeralda wordt ter dood veroordeeld door de kardinaal en Quasi Modo gooit in het beroemde slot de kardinaal uit de toren. Het boek bevat allerlei aanwijzingen en symbolen. De meest voor de hand liggende aanwijzing is dat de kerk, in de vorm van de kardinaal, de ware liefde tussen Esmeralda en de kapitein wil dwarsbomen. In de roman wordt gezegd dat de kardinaal een hekel heeft aan alles wat uit Egypte komt, inclusief de ‘gypsies’ (gypsy komt van het woord Egypte). In Parijs wordt Maria Magdalena echter ook wel ‘Maria l’Egyptienne’ genoemd, donker van huid, met loshangend haar. Zou het kunnen dat Esmeralda een verwijzing is naar Maria Magdalena, en de ware liefde voor haar kapitein de liefde voor Jezus symboliseert? Het lijkt erop dat ‘Notre Dame de Paris’ de ‘Da Vinci Code’ van die tijd is. Ik bespreek de zaak met Karel en we besluiten de roman van Victor Hugo uitgebreider te bestuderen. In het zuiden van Frankrijk aangekomen nemen we afscheid van elkaar en volgen onze eigen bestemming. Als mijn week voorbij is, ontmoet ik Karel opnieuw en ik heb de onstuitbare neiging om op de terugweg opnieuw langs Parijs te gaan. Karel kan helaas niet mee en ik beloof hem te bellen vanuit Parijs. Ik rijd mee met een Belgische deelnemer uit mijn groep, en wordt afgezet in Parijs. Met rugzak en tassen loop ik door het centrum van de stad op zoek naar een plek voor de nacht. En dan begint de magie opeens zijn werk te doen... Op een verkeerslicht zie ik een stickertje met de kleuren wit- rood en voel ik me thuis als wandelaar: ik wandel blijkbaar op een Grande Randonnee, de lange afstandspaden uit de middeleeuwen. Ik kijk naar de naam van de straat: Rue St. Jacques, en realiseer me dat dit de route van St. Jacques de Compostella is, die vanuit Parijs naar het zuiden loopt. Iets verderop in de Rue St. Jacques vindt ik een klein boekenwinkeltje en het geluk is opnieuw met me: ik vind twee boeken: een over de esoterische achtergrond van de Notre Dame, en de ander over mystieke plekken in Parijs. Het is precies wat ik nodig heb. Ik neem mijn intrek in een jeugdherberg en begin te lezen. Het eerste waar mijn oog op valt is een oude kaart van de begintijd van Parijs. De stam die er woont heet de ‘Parisii’, en vlak naast hun dorpje ligt een tempel van....Isis. Het woord ‘Parisii’ betekent dan ook zoveel als ‘dorp bij Isis’. Ik leg de oude getekende kaart naast de stadsplattegrond die ik op zak heb en probeer de locatie van de Isistempel te achterhalen; mijn verbazing stijgt als ik precies op de plek van Saint Sulpice uitkom....Dus toch iets meer dan gewoon maar een kerk. Verderop in het boek lees ik dat er ooit een Isisbeeld in Parijs stond dat werd vereerd: in 1514 werd het kapotgeslagen door de abt van Saint Germain. In 1905 wordt onder de Bastille een zwarte Madonna-beeldje gevonden, dat gewijd is aan de egyptische godin Isis. Aan het eind van de middag loop ik naar de Notre Dame toe en kan nog net de toren in. Ik ben de laatste toerist van die dag en begin de lange klim naar boven. De wind fluit tussen de spleten van de ramen door. Als ik op de eerste trans ben aangekomen blijkt dat het is gaan motregenen en ik trek mijn regencape aan. Ik kijk uit over het plein voor de Notre Dame en zie hoe Parijs zich langzaam opmaakt voor een donkere en herfstachtige avond. De lichtjes gaan aan, en in de verte zie ik lichtflitsen van opweer. Het begint harder te regeren en ik trek mijn cape over mijn hoofd. Naast me zie ik de stenen demonen die vanaf de dakgoot hun hals uitsteken om het water af te voeren. Sommigen zitten als vreemde monsters uit een vervolgen tijd naar de stad te kijken. Ik besluit de klokkentoren in te klimmen en met mijn waperende cape over mijn rugzak heen lijk ik opeens Quasi Modo zelf te zijn. Ik klouter over houten balken naar boven, tot ik plotseling voor de grootste klok sta, de Emmanuel, een klok van 13000 kilo. De wind giert om me heen, terwijl het houten staketsel van de toren een rustige geborgenheid geeft. Hier, in de klokketoren is het veilig, terwijl het onweer en de regen buiten losbarsten. Ik ga stil naast de klok zitten en sluit mijn ogen. Ik probeer de losse lijnen van mijn gedachten tot een geheel te brengen, de boeken die ik die dag heb gevonden en de ontdekking van de tempel van Isis. De verwijzing naar Egypte lijkt opeens alles met elkaar te verbinden: de obelisk op de Place de la Concorde, de glazen pyramide bij het Louvre, de schatten in het Egyptische museum, de liefde van Quasi Modo voor het egyptische zigeunermeisje Esmeralda, de uitgebreide zoektochten van Napoleon in Egypte en zelfs de rol die Lodewijk de veertiende zich toemat: de zonnekoning, verwijzend naar de priesterkoningen uit Egypte die Horus, de zonnegod aanbaden. Opeens verschijnt het beeld van de godin Isis met Horus op schoot. Strak rechtop zit ze op haar troon, terwijl het kind op haar schoot staat en de wereld regeert. En opeens snap ik de link: Het beeld is precies het zelfde als de madonna met kind; Maria met Jezus is een christelijke versie van de Egyptische Isis met Horus. En daarmee realiseer ik me dat de Notre Dame, de kathedraal in het hart van het land, niets anders is dan een voortzetting van de oude tempel van Isis, de grote moedergodin. Als ik later de trappen afdaal is de wind gaan liggen en de regen opgehouden. Voor de kathedraal zijn jongleurs met vuurfakkels wonderlijke dansen aan het maken. Ze zwaaien met hun fakkels aan kettingen om hen heen, alsof ze een vuurdans voor de godin uitvoeren: Notre Dame, de vrouw, de moeder, de godin van het volk. Het goddelijke vrouwelijke is nog steeds aanwezig. Onderdrukt door de kerk, maar nog altijd in de harten van de mensen. En Parijs draagt nog steeds de kenmerken van de godin: de aandacht voor schoonheid, liefde en romantiek, de interesse voor kunst, muziek, poezie en dans, en de vermenging van verschillende rassen en culturen tot een bloeiende en soms broeierige smeltkroes. Die avond slenter ik laat door de stad en mijmer over de ontdekkingen die ik heb gedaan. Ik kom uit bij een poortje dat de ingang is van een andere kerk en duw tegen de deur: open. Ik sluip naar binnen en zie dat er enkele kaarsen aan zijn in het grote donkere gebouw. Uit de schaduwen komt een man naar me toegelopen en ik vraag hem of ik hier mag bidden. De man pakt mijn arm en brengt me naar een kapel achter in de kerk. Ik zie drie mensen op hun knieën zitten en sluit me aan. De man geeft me een stoel en vraagt om twee euro. “Ik heb honger,” zegt-ie en opeens begrijp ik dat de zwervers zich ‘s nachts hebben ontfermd over deze kerk. Ik geeft hem wat geld en ga zitten. Om me heen zie ik schilderingen van acht heilige vrouwen. Ik weet niet wie het zijn, maar het vrouwelijke is sterk vertegenwoordigd in deze kapel. Ik besef dat ik in vrijwel geen enkele kerk het kruisbeeld van Jezus boven het altaar heb zien hangen, maar dat alle kerken gericht zijn op de Maria met kind. Zo ook hier. Terwijl mijn ogen wennen aan het schaarse licht, zie ik opeens wat er op het altaar staat: geen kruis maar een Egyptische ankh.....Dezelfde ankh die ik aan een ring om mijn vinger heb, ooit gekregen van een Palestijnse taxichauffeur. Steeds meer verbaas ik me over de geheimen van deze stad, waarvan ik nog maar het tipje van de sluier heb opgelicht. De volgende ochtend sta ik vroeg op. Binnen twee uur moet ik op het Gare du Nord zijn om terug te reizen naar Amsterdam. Ik kan het toch niet laten nog even langs de Notre Dame te gaan op mijn weg naar het station. Aan de kade van de Seine zie ik een antiquair en loop er uit nieuwsgierigheid naar binnen. Heeft u ook prenten van de Notre Dame? vraag ik. De man snuffelt rond, maar opeens valt mijn oog op een oude gravure; dezelfde kaart van het dorpje Parisii aan de Seine. Ik pak de prent en opeens zie ik dat er een verschil met de kaart is van de vorige dag: de naam Isis is zomaar van de kaart verdwenen... Dezelfde kaart, dezelfde tempel, maar zonder Isis. Ik wrijf mijn ogen uit en vraag me af of alles van de nacht ervoor niets anders was dan een droom. Heb ik me alles verbeeld? Of is het zo dat er iemand geprobeerd heeft de magie van Egypte voorgoed uit te bannen, en elke herinnering aan Isis en de kennis van de Grote Moedergodin uit te wissen? Wellicht paste de wilde levenslustige egyptische ‘Esmeralda Magdalena’ niet in het vrome beeld van de christelijke kerk. Zoals het bordje in de Saint Sulpice verklaarde dat de hermetische tempel van Isis nooit heeft bestaan... De antiquair komt met enkele oude prenten aan, maar ik besef dat mijn tijd om is. De magie is verdwenen en mijn werk is klaar. Ik bedank de man en loop over het plein van de Notre Dame naar de ingang van de metro. ik groet de oude Dame als afscheid en verdwijn in de catacomben onder de grond.