Artikelen

Artikelen

Terug naar Homepage

  • => http://www.tonvanderkroon.nl/

Artikelen

  • Avatar, een Boodschap uit de Toekomst
  • De wereld volgens mijn buurman, deel 1
  • Dagobert II, of de Verloren Koning
  • From Gaza with Love, deel 4
  • The Secret Book of Lila - 64 tantra oefeningen
  • verslag Mannenworkshop (door Jan Roelofs)
  • Aarde Chakra's
  • De rol van de vader bij de geboorte
  • With love from Gaza, deel 5
  • Sterven van Organisaties
  • Vierdaagse Spiritueel Leiderschap, 2008 (door Jan Roelofs)
  • Het Oedipa Complex
  • De roep om nieuw leiderschap
  • Willem Alexander en Maxima: koningschap van de passie
  • Is het tijd voor een Obama in het Vaticaan?
  • De Essenen: op zoek naar de bron
  • Amiata, de heilige berg van de Etrusken
  • With Love from Gaza, deel 3
  • De Leider als Mysticus
  • De Ring van Macht, een archetypisch perspectief op 'Lord of the rings'
  • Afwezige vaders, verloren zonen
  • Vier katharen en een elf
  • Maria Magdalena: apostel der apostelen
  • In het voetspoor van Maria Magdalena, deel 3: Parijs
  • In het voetspoor van Maria Magdalena, deel 2: Reims
  • In het voetspoor van Maria Magdalena, deel 1: Vezelay
  • From Gaza with love, deel 2
  • Jeruzalem, Kingdom of Heaven
  • Jongeren en Initiatie
  • Godinnentempel in het Vaticaan
  • De Katharen komen terug...
  • Waar is de fallus?
  • From Gaza with Love, deel 1

Ton van der Kroon

  • => korte autobiografie
Mijn foto

Godinnentempel in het Vaticaan

Fragment uit ‘De Paradijs-matrix’

Dit nogal bizarre verhaal begon op de berg Sinai, waar ik een droom kreeg over een vloek die ooit is uitgesproken. De droom vertelde dat de vloek op een steen was gebeiteld en uiteindelijk in Rome terecht was gekomen. Ik besloot daarom aan het eind van mijn vakantie op goed geluk naar Rome te gaan...

Rome, zomer 2005
Met mijn laatste geld kocht ik een ticket naar Rome: Het was erop of eronder: Ik moest de laatste stap zetten in de zoektocht naar de oplossing van de vloek. Ik wist dat ik in Rome de sleutel zou vinden die zou leiden tot de ontknoping. Tegelijkertijd had ik geen enkel idee waar ik moest beginnen met zoeken. Ik vroeg de Godin om hulp. Zij zou me moeten leiden om het mysterie te ontraadselen. De enige aanwijzing die ik had was het beeld van de steen uit de droom met de letter phi erop, maar ik wist dat dromen vaak symbolisch bedoeld zijn en niet letterlijk. Zou de steen er zo uitzien zoals ik hem in de droom had gezien, of was hij anders van vorm? Ik moest denken aan een obelisk. Kon het zijn dat er een vloek in Egyptische hiëroglyfen stond uitgebeiteld op een obelisk? Vragen, vragen, vragen.
Met grote onzekerheid stapte ik op het vliegtuig, maar gelukkig wist ik dat er enkele vrienden waren die mijn wilde initiatief ondersteunden. Iemand had me zelfs tweehonderd euro gegeven om de kosten voor mijn reis te dekken. Vooruit maar, dacht ik, de reis is begonnen en ik moet het verhaal tot een goed einde zien te leiden. Moge de goden met me zijn, bad ik toen we opstegen.

De volgende ochtend begon mijn zoektocht en ik besloot al wandelend de stad te verkennen, op zoek naar een obelisk. Het duurde niet lang of ik had gevonden wat ik zocht. Er stond een grote obelisk voor de Santa Maria Maggiore; een reusachtige kerk vlakbij het station. Niet te geloven, dacht ik dat is snel. Maar toen ik iets verder wandelde zag ik opeens een tweede obelisk in een straat verderop, en vervolgens een derde en een vierde die allemaal zichtbaar waren vanaf hetzelfde kruispunt.
‘Ze houden hier nogal van obelisken,’ bedacht ik me. ‘Dat maakt het er niet makkelijker op. Want op welke obelisk staat de vloek, als het een obelisk is...?’
Drie dagen lang zwierf ik door de stad totdat ik de blaren op mijn voeten had en ik had welgeteld dertien obelisken ontdekt! Op ieder plein stond wel weer een nieuwe obelisk, groot of klein, met hiërogliefen en zonder hiërogliefen, met sokkels in de vorm van olifanten, fonteinen, faunen, zeegoden en wat al niet meer. Op de derde dag kwam ik aan op het plein voor de Sint Pieter met een grote, kale obelisk in het midden. Rondom de obelisk stonden twee fonteinen en de zuilengalerij van Bernini, die het grote plein omzoomde. Ik was moe van mijn zoektocht en voelde me eenzaam. In heel Rome was geen spoor van de Godin te bekennen en het enige dat me aan het vrouwelijke element deed denken waren de prachtige fonteinen overal in de stad, nog veelvuldiger dan de fallische obelisken. Wat dat betreft werd de stad goed in evenwicht gehouden; het water van de ronde fonteinen stond voor het vrouwelijke, en de fallische obelisken stonden voor het mannelijke element. Maar van de Godin was geen enkel spoor te vinden, behalve een drietal zuilen van een rond tempeltje op het oude Forum Romanun. Het leek wel of de Godin hier helemaal nooit had bestaan en een vreemd soort van verlatenheid maakte zich van me meester.
Ik keek omhoog naar de top van de obelisk en zag bovenop de zuil een soort symbolische heuveltjes waarop een kruis verrees. Opeens herkende ik de heuvels: het was de afbeelding van de berg Sinaï. Zou het kunnen dat de kerk bovenop al deze Egyptische zuilen het symbool van de Sinaï-berg had geplaatst? Was elke zuil die hier stond een herinnering aan de overwinning van het Christendom op de oude godsdienst van de Egyptenaren?
Terwijl ik naar boven tuurde zag ik opeens iets zwarts om de obelisk heen fladderen. Eerst dacht ik dat het een vogel was, maar de vleugels bewogen te vreemd voor een vogel. Ik hield mijn hand tegen het licht van de zon, en begreep opeens wat ik zag; het was een vleermuis die als uit het niets rond de zuil fladderde in klaarlichte dag. ‘Wat vreemd,’ dacht ik en tegelijkertijd kreeg ik het vreemde gevoel dat de vleermuis er niet voor niets rondvloog. De vleermuis is het symbool van de dood en van de transformatie. Hij vliegt normaal alleen ‘s nachts en is verbonden met de duistere, onzichtbare kant van het bestaan. Daarom wordt hij vaak met tovenaars en sjamanen geassocieerd. Maar hoe kon een vleermuis op klaarlichte dag op het Sint Pietersplein vliegen? Ik vond het een onverklaarbaar verschijnsel en besloot de vleermuis goed in de gaten te houden. Hij fladderde een paar keer rond de zuil in steeds wijdere kringen en boog toen af richting de St. Pietersbasiliek. Ik verloor hem bijna uit het oog omdat hij te klein werd om te volgen, maar uiteindelijk zag ik hem toch duidelijk verdwijnen in de grote kerk die boven het plein uittorende. Wat was de boodschap? Dat ik de oplossing in de St. Pietersbasiliek moest zoeken, het centrum van de Christelijke wereld, de belangrijkste kerk van de hele westelijke wereld, gebouwd op het graf van Petrus?
Ik besloot de kerk te bezoeken en sloot me aan in de laatste rij wachtenden voor de kerk. Het was al laat in de middag en er was niet veel publiek meer. Ik hoefde dan ook niet te lang te wachten totdat ik toegang kreeg tot de basiliek. Toen ik door de deuren naar binnen liep besefte ik me de waarde van dit bezoek: de eindeloze reeks urbi’s en orbi’s die ik als kind op de televisie had gezien; de geloofsgeloftes die ik had afgelegd aan de Kerk van Rome; de beelden van de paus op het balkon en later mijn strijd om los te komen van de kerk en haar nogal dogmatische inslag; mijn moeder die nog wat pogingen had gedaan om haar zonen op het rechte, katholieke pad te houden, zonder resultaat, omdat ze zelf ook twijfelde aan de normen en waarden van de kerk. 'Toch moet je ooit naar Rome gaan,' had ze me gezegd. 'Het is zo imposant dat je beseft dat de kerk lang zo gek nog niet zo is.' Ik kon me volledig voorstellen dat ze onder de indruk was van de schoonheid en de grootsheid van het gebouw: Het was enorm, volledig afgezet met marmer in allerlei kleuren, met grootse beelden en schilderijen en uiteraard het beeld van de aartsvader Petrus. Maar hoe ik ook mijn best deed om de schoonheid te zien, ergens in mijn hoofd zeurde een stemmetje die het hier helemaal niet mee eens was. Het was dezelfde stem die me op de berg Sinaï had lastig gevallen. Ik wilde graag het mooie van dit alles inzien, maar wel beschouwd was dit hele bouwwerk toch absoluut niet in overeenstemming te brengen met de leer van Jezus. Hij had eenvoud en liefde gepredikt, was geboren in een koeiestal, had geen bezittingen en leefde door rond te trekken op sandalen met een eenvoudige tuniek aan. Als hij ooit de Sint Pieter bezocht zou hebben zou hij hard gelachen hebben, of - zoals hij ooit in de tempel van Jeruzalem had gedaan - iedereen eruit gegooid hebben, omdat ze van de heilige tempel een oord van decadentie, handel en schone schijn hadden gemaakt. Het leek erop dat het Christendom erg ver was afgedwaald van de oorspronkelijke stichter. Maar opeens besefte ik me dat dit ook niet de kerk van Jezus was, maar van Petrus. Jezus was nooit in Rome geweest. Rome was Petrus, Jeruzalem was Christus. Daardoor werd me een hoop helder over de Katholieke kerk. Goed en wel beschouwd was de Christelijke kerk opgezet naar het voorbeeld van het Romeinse legioen: Eén leider aan de top, daaronder verschillende centuriones, daaronder verschillende andere lagen van status, en uiteindelijk de legionairs, het voetvolk. In de kerk was het niet anders; de onbetwiste leiding van de paus aan de top, daaronder de kardinalen, de bischoppen, de priesters en pastoors en uiteindelijk de gelovige schaapjes, het voetvolk. Op een nogal militaire manier heeft de Roomse kerk de wereld veroverd, net als het Romeinse leger: soms met het woord, en soms met het zwaard. Door de verschuiving van Jeruzalem naar Rome is het hele epicentrum van spirituele macht verschoven van het Midden Oosten naar het Westen. De kerk van Petrus is de standaard geworden: hiërarchie, macht, kapitaal, regels en orde. Het lijkt een totale omkering van de kerk van Christus, waar juist eenvoud, liefde, wijsheid en kwetsbaarheid centraal staat. Macht versus kracht. In Jezus was het woord vlees geworden. In de Roomse kerk was het vlees weer woord geworden. Geen levende kerk van liefde maar een stenen kerk van woorden en geboden. Het geloof is een sociaal systeem geworden, met grote gebouwen, morele codes en een lidmaatschap. Jezus was echter geen lid van een kerk, hij was ook geen Christen, net zo min als Budha een budhist was en Mohammed een Mohammedaan. Sterker, nog, Jezus keerde zich zelfs tegen de geïnstitutionaliseerde geloofssystemen. Het werd me steeds duidelijker dat als hij werkelijk in deze tijd zou leven hij zich niet bepaald zou kunnen vinden in een gebouw als de Sint Pieter.

Inmiddels schoot de zoektocht naar de Godin en de vervloekte steen van de Hathorpriesteres niet erg op. Ik zag in de kerk, noch in de crypte eronder iets wat me deed denken aan het vrouwelijk aspect van God, op een Maria-altaar na. Het leek alsof de Godin in deze grote tempel totaal afwezig was...Of, miste ik iets? Zag ik iets over het hoofd, zo dichtbij, maar net niet grijpbaar voor het blote oog... Ik voelde haar aanwezigheid, haar naam, haar roep, maar het was net alsof haar verschijning aan het oog was onttrokken, alsof er een grote muur tussen stond. Ik stond stil, sloot mijn ogen en probeerde te luisteren. ‘Hoor mij, zie mij, doe mij recht. Ik ben de grote Moeder, degene die over dood en leven gaat, de vrouwe uit wier lichaam alle kinderen van de aarde voortkomen. Ik, de gezellin van de grote schepper, ik wordt niet meer gehoord door de mensen, mijn liefde kan niet meer vrijuit naar mijn kinderen stromen. En toch ben ik overal, in de harten van mensen, vergeten en vervloekt, ook hier, in deze kerk. Juist in deze kerk. Vind mij; ik ben slechts één gedachte van je vandaan. Het is belangrijk dat je mijn erfenis vind, zodat de ogen en de harten van de mensen weer opengaan. Het mannelijke heeft het vrouwelijke nodig. God is Godin gelijk. Maak het een niet meer dan het ander. Ontken het een niet ten bate van het ander. Beiden zijn nodig in de grote scheppingsrite die jullie bestaan vormt. Eer je Vader en je Moeder. Eer je goddelijke vader en je goddelijke moeder. Niet door hen in beelden te vatten, of systemen van geloof en macht te creëren, maar geloof in je eigen hart: daar, waar wij één zijn met jou. Het is tijd dat de Grote Godin weer gezien wordt in haar grootsheid, omdat haar eigenschappen de mensheid verder kunnen helpen. Het is niet de tijd om om te zien in wrok. Dat wat geweest is is geweest. Dat wat vervloekt was, wordt bij deze ongedaan gemaakt. Een vloek is niet anders dan het niet zien van de waarheid, die liefde is. Vindt mij, zoek mij; ik ben zo dichtbij je.’ En alsof een adem langs mijn gezicht ging, zo verdween de stem van de godin weer in de grote holle ruimte van de basiliek.
‘Zoek mij’, had ze gezegd. Zou er dan toch een plek zijn waar de godin huisde, of bedoelde ze dat ik in mijn eigen innerlijk moest zoeken? Was dat het einde van mijn zoektocht? Dan was mijn hele reis naar Rome wellicht voor niets geweest. Ergens bleef het vermoeden knagen dat ik iets over het hoofd zag, maar ik had geen idee wat. De godin sprak duidelijke taal; ‘Ook ben ik hier, in deze kerk,' maar waar dan? De St. Pieterskerk ging inmiddels sluiten en ik besloot het op te geven.

Ik keerde terug naar het Youthhostel en ging teleurgesteld achter de computer zitten die er stond. Ik tikte ‘Rome en Godin’ in, en als bij toverslag vond ik wat ik die hele middag had gevoeld, maar niet had kunnen zien. Ik veerde op bij het zien van de sites die ik vond en wist dat ik na drie dagen spoorzoeken eindelijk de oplossing had gevonden. Een verhaal van een zekere Caillean die dezelfde speurtocht had gemaakt gaf het inzicht dat ik zocht. Vlak achter de Sint Pieter, in de tuin van het Vaticaan bevond zich een klein gebouw dat het Casina van Pius IV werd genoemd. Het oorspronkelijke gebouw bleek echter de tempel van de priesteressen te zijn die er voor de tijd van de Rooms katholieke kerk hadden gezeten. De tempel heette het Phrygiagum en was gewijd aan de Magna Mater, de grote moeder, ook wel Cybele genoemd in. De tempel is rond een ovaalvormig pleintje gebouwd, versierd met Nymphen.
‘Hoe is het mogelijk,’ dacht ik, ‘dat het Vaticaan oorspronkelijk een tempel voor de Godin was..’ Aan de andere kant bevreemde het me ook niet. De roomse kerk had namelijk overal waar ooit godinnenheiligdommen waren geweest kerken gebouwd. Op iedere aardekrachtplek stond een kerk van Sint Michael die de draak doodde. De draak of de slang stond in de matriarchale tijd voor de vrouwelijke aardekracht, de kracht van regeneratie en transformatie, maar in de Christelijke kerk waren de slang en de draak symbool van de duivel geworden. Het vrouwelijke aspect moest met wortel en al worden uitgeroeid. Dat was ze zo goed gelukt, dat bijna niemand meer het bestaan wist van de Godin in haar vele gedaanten en benamingen. Cybele, Isis, Kali, Laksmi, Inanna, Sofia, overal ter wereld werd ooit haar aanwezigheid vereerd en aangeroepen. Maar sinds de patriarchale godsdiensten de macht in handen hadden gekregen was de macht van het vrouwelijke verdwenen. Misschien was de moordpartij van de priesteressen van Hathor het eerste moment geweest waarop een volk besloot de godin te verwerpen en eenduidig te kiezen voor Jahwe, de vader God. Wellicht was dat de vloek die nog steeds rustte op alle volgelingen van Mozes; de ontkenning van het vrouwelijke, de verbanning van de godin. Het leek tijd dat de godin weer terugkwam in ons bewustzijn, omdat we haar hulp hard nodig hebben. De natuur, de aarde, de dieren, de rivieren, de lucht, maar niet alleen dat; onze innerlijke natuur schreeuwt om aandacht, in een tijd waarin mensen zich voleten met voeding die geen echte voeding is. We leven in een maatschappij waarin steeds meer surrogaat-oplossingen worden aangedragen in plaats van de schatten die moeder natuur ons geeft; nepvoeding, nepborsten, schijnveiligheid in de vorm van allerlei verzekeringen, mobieltjes en stralingsmasten om met elkaar te kunnen communiceren, televisie om onze geest te vullen en hol amusement om ons te vermaken. Onze lichamen zijn uitgezakt en gaan aan overgewicht en lui vlees ten gronde. We snakken naar moeder Aarde, maar we weten niet meer hoe we haar moeten vereren en aanroepen. Ze is zo dichtbij en zo veraf. We zijn kinderen die verdwaald zijn van huis en de weg niet meer terug weten. Net als in het sprookje van Hans en Grietje worden we aangetrokken door de zoete lekkernij van het suikergoedhuisje, niet wetende dat de heks van het huisje ons eigenlijk wil verslinden...

Ik had nog een ochtend te gaan voordat mijn vliegtuig zou vertrekken en ging in alle vroegte terug naar het Vaticaan. Ik besloot het Vaticaans museum een bezoek te brengen, in de hoop dat ik daar iets meer te weten zou komen over het Phrygianum, oftewel het Casina van Pius IV. Ik kocht een ticket en wandelde door de gangen van het immense museum. Ik werd overrompeld door de grote hoeveelheden kunstschatten die hier bij elkaar gebracht waren. Grote hoeveelheden marmeren beelden uit de Griekse en romeinse tijd stonden hier uitgestald. De schoonheid was overweldigend. Een ding viel me echter op; bij alle beelden was het mannelijk geslacht afgehakt, en er was een klein vijgeblad voor in de plaats gekomen. Ik dacht aan de vloek van de Hathor-priesteres; ‘alle mannen zullen problemen hebben met relaties en sexualtieit.’ Hier zag ik met blote ogen het gevolg van een jarenlange ontkenning van het menselijke lichaam en haar sexualiteit. Het mannelijke lid mocht niet gezien worden. De man was mooi, maar ontkracht. Van mijn broer had ik ooit gehoord dat de kardinalen en priesters dagelijks medicijnen innemen om hun erectie en zaadlozing tegen te gaan. Wat was er een grotere heiligschennis van moeder natuur dan dit: haar voortplantingsvermogen ontkennen en de bron van het leven en van levenslust verbieden en onderdrukken. Tegelijkertijd begreep ik dat deze mannen ook slachtoffers waren van de vloek die ze over zichzelf hadden afgeroepen. De kerkvaders onderdrukten sexualiteit en vrouwelijkheid, maar degenen die ze met meest daarmee kwetsten waren zijzelf. Vroeg of laat zou het verstarde patriarchaat aan haar einde komen, alle goede bedoelingen ten spijt. De waarheid van de liefde tussen god en godin, tussen man en vrouw, tussen hemel en aarde zou zich weer openbaren onder de mensen, en die tijd leek niet ver weg meer. Een boek als de Da Vinci Code had miljoenen mensen wakker gemaakt of althans een tipje van de sluier opgelicht. Het zou niet lang meer duren of de gehele waarheid van de Godin en haar ontdekking zou aan het licht komen en daarmee de macht van de patriarchale godsdiensten doen afnemen en verbrokkelen, totdat het weer tot as zou vergaan. Was dit niet in de hele geschiedenis altijd gebeurd; de ware kennis sterft als een oude vogel om als een phoenix weer uit de as te herrijzen. Dood en wedergeboorte, de eeuwige cyclus.

Door de drommen mensen te volgen waar ik in meeliep kwam ik uit in de Sixtijnse kapel uit, het onbetwiste hoogtepunt van het Vaticaan. Maar ook hier werd ik niet echt geraakt; ik zag weliswaar de schoonheid van de schilderingen van Michelangelo, maar voelde geen innerlijke schoonheid; het was een uiterlijke vertoning, en iedereen stond zich te vergapen aan de beelden boven zijn hoofd, in plaats van de schoonheid in zijn eigen hart te voelen. Nee, dit was niet waar ik voor gekomen was. Ik ontvluchtte de kapel, schoot een zijgangetje in dat leidde naar de Bibliotheek van het Vaticaan en kwam opeens uit op een grote lege gang met enkele tapijten aan de muur. Het ochtendzonlicht scheen in brede stroken naar binnen en gaf een goudgele glans aan de lange gang. ik keek door een van de hoge vensters naar buiten en zag dat ik aan de binnenkant van het Vaticaan was uitgekomen; ik keek uit op de tuin! Daar, temidden van prachtige vliegdennen, glooiende gazons en kleine fonteinen vond ik wat ik zocht: het Phrygiagum. Een allerprachtigste tempel, ovaalvormig, met twee waterbronnen omzoomd en in het midden een beeld van Cybele, de Grote Moedergodin. Daar was ze dus, ongestoord, temidden van de natuur, op een van de mooiste maar meest onbereikbare plekken van Rome. De ingang van de tempel was afgezet met een metalen hekwerk. Ik zou nooit weten wat er binnen, in het heilige der Heilige zou staan, maar de aanblik van de tempel was genoeg. Ik had de godin gevonden, in het hart van de Christelijke kerk...

Op de terugweg door het museum wachtte mij een volgende verrassing. ik liep door toeval door het Egyptische gedeelte van het museum en kwam in een kleine kamer die was ingericht als een tempel. Aan de muren stonden enkele beelden van Pharao’s maar mijn oog werd getrokken door een beeldengroep van zwart marmer in het midden. Ik liep om de beelden heen en stond opeens oog in oog met het allermooiste Hathorbeeld dat ik ooit had gezien. Haar fijne trekken waren in zwart marmer uitgehouwen en haar buste stond op een lotusbloem, eveneens in zwart marmer. Achterop haar hoofd droeg ze een koeiehoofd, waarvan alleen de horens aan de voorkant zichtbaar waren. Achter haar torende het beeld van Isis op, en daartussen in stonden twee zwarte beelden van een priesteres en een priester. De priesteres droeg de ankh in haar hand en de priester een zwarte steen met een teken erop: twee lotusbloemen aan weerszijden van een soort vaas met een plat deksel. Het had onmiskenbaar een heilige betekenis, maar ik was niet in staat het symbool te duiden. Ik tekende het in mijn dagboek om er later nog eens naar terug te kunnen. Terwijl ik op mijn knieën ging zitten viel mijn oog op het kaartje dat bij het beeld stond: Osiris-Apis. Mijn mond zakte open. Hoe konden ze nu Hathor voor Osiris aan zien? Ze had notabene borsten! In de begeleidende gids werd het probleem echter verklaard: bij herstelwerkzaamheden aan het beeld had de restaurateur er per ongeluk borsten aangemaakt... Opeens moest ik lachen. Hoe was het mogelijk dat de kerk er, bewust of onbewust, alles aan deed om de vrouw uit de godsdienstige geschiedenis te verwijderen? Het laatste avondmaal van Leonardo Da Vinci, de Isistempel in Parijs, het Hathorbeeld van het gouden Kalf in de Sinaï-woestijn, de rol van Maria Magdalena als hoge Ingewijde, de tempel van Cybele in de tuin van het Vaticaan en nu het beeld van Hathor in het museum...
Ik sloot mijn ogen en bad tot de godin. Als niemand haar meer erkende of herkende kon ik allicht een klein gebed voor haar doen. Ik bad dat ik haar mocht eren en haar ten dienste mocht zijn. Vanuit het zwart van het beeld hoorde ik haar stem: ‘De vloek is voorbij. De macht van de godin is hersteld. Dit was alles wat nodig was. Ook als maar een persoon mij ziet, wordt mijn kracht hersteld, of eigenlijk wordt jouw kracht hersteld, want juist door het verlies van de Godin verlies je je eigen kracht. Ik ben er altijd, zoals de vadergod er altijd is, maar door je met ons te verbinden hervindt je je ware kracht. Je werk is klaar. Wees gezegend en geniet van je vrije tijd.’ Ik knielde, sloeg een kruisteken en verliet het Vaticaan. Mijn reis was ten einde en het was tijd om terug naar huis te keren. Toen ik buiten stond kwam ik midden in een processie terecht; priesters en monniken droegen het beeld van Maria op hun schouders door de straten. Daarachter liepen allerlei figuren in middeleeuwse kledij. Ze zagen er kleurrijk uit en iedereen keek met grote ogen naar het heilige Maria beeld: De grote moedergodin in haar westerse, christelijke versie. Misschien was er uiteindelijk toch niet zoveel veranderd in alle eeuwen...