Vaar, Laura, Vaar!
Of: hoe Nederland ten onder ging
Door Ton van der Kroon
‘He, Ton, ben je al terug van vakantie?’ staat er op de voicemail. Het
is mijn buurman. ‘ik moet je dringend spreken. Bel je me even?’
Ik luister de andere berichten af, kijk de post door en kijk op
internet of er nog nieuws is. Het verhaal van Laura valt me op, het meisje dat
rond de aarde wil varen. Het brengt de gemoederen danig in beroering, niet
alleen bij mij maar blijkbaar bij half Nederland.
Waar we vroeger blijkbaar het lef hadden om dergelijke avonturen aan
te gaan, lijken er nu hele hordes mensen, psychologen, kinderbeschermers,
rechters, deskundigen en politici op de dijken te staan, die in koor roepen:
‘niet doen! Niet doen! Veel te gevaarlijk! Niet je hart volgen, niet je droom
achternagaan. Daar kan niets goeds uit voortkomen.’ Het lijkt een scene uit een
kinderverhaal van Annie M.G. Schmidt. ‘Maar ik heb nog geen meter gevaren,’
roept Laura verbaasd over alle ophef.
Het sprookje lijkt echter nog wat boosaardiger te worden: ‘Als dit zo
doorgaat moeten we de vader en moeder de ouderlijke macht over het meisje
ontzeggen,’ zegt de kinderrechter. ‘We hebben al naar Nieuw Zeeland
gebeld, en ook daar gaan ze haar onverantwoordelijke gedrag niet goedkeuren,’
zegt een kinderbeschermer. ‘Misschien is ze in haar jeugd wel mishandeld door
haar ouders,’ zegt een ontwikkelingspsycholoog. ‘Er moet grondig onderzoek
worden gedaan,’ oordeelt de raad van de rechters. ‘Dit kan zo maar niet! Stel
je voor dat alle kinderen op wereldreis zouden gaan. Wie denkt ze wel dat ze
is, Pippi Langkous?’
Ik moet opeens denken aan de film de Truman show waarin de
hoofdpersoon ontdekt dat er iets niet klopt in zijn veilige wereldje. Er vallen
studiolampen op straat; de lift lijkt een filmset te zijn; zijn vrouw praat in
reclameslogans; kortom; er lijkt iets grondig mis te zijn. Hij gaat op
onderzoek, maar het lijkt alsof de hele wereld wil voorkomen dat hij zijn
onderzoek voortzet. De ultieme poging die hij onderneemt is met zijn zeilbootje
de zee opvaren om uit breken uit de wereld die hem steeds meer benauwd. Een
storm steekt op, maar ondanks dat hij bijna verdrinkt, zet Truman door. Dan
bereikt hij met zijn boot de rand van de wereld: de boeg van zijn boot blijft
steken in de wand van een immense studio, die is opgezet om zijn leven vanaf de
wieg te volgen in ‘the Truman Show’. Tijdens zijn worsteling met het water
kijken duizenden mensen Live naar zijn strijd en vragen zich af of hij wint of
verliest. Het lijkt op het verhaal van Laura.
De zee: oneindige vlakte van golven, stormen, wind en zout, kusten en
stranden. De zee opgaan betekende moed, durf en doorzettingsvermogen. Het
betekende voorbij de horizon gaan, nieuwe gebieden ontdekken, het avontuur
tegemoet treden. De zee op varen staat symbool voor je droom
achternagaan, je hart volgen, je passie waarmaken… Het betekent ook de
strijd met het water aan gaan. Zou het daarom Nederland zo raken in het hart,
vraag ik me af, een land dat worstelt met water, dat dijken bouwt om zichzelf
te beschermen, en dat groot is geworden door de wereldzeeën te bevaren?
Mijn buurman belt op. ‘he, Ton, je weet dat ik niet van de
samenzweringstheorieën ben, maar wat ik nu heb uitgevonden...!’ fluistert hij
door de telefoon. ‘Nee, niet nog meer, denk ik.
‘Ik ben eens gaan kijken wie er in de raad van bestuur zitten van al
die grote banken in Amerika die uitgekocht worden...Het zijn allemaal
dezelfden. Eerst verkopen ze malafide hypotheken aan mensen die nauwelijks geld
hebben om ze af te lossen. Deze hypotheken worden dan gebundeld en in een
verzekeringsconstructie bij AIG ondergebracht. Hun balans is dan gedekt. Maar
er is zoveel verstrekt dat ze een eventuele waardedaling nooit kunnen
uitbetalen; vervolgens dreigen ze dat het hele bankstelsel omvalt als de regering
niet toeschiet met miljarden aan hulp; dan worden ze met gouden handdruk
ontslagen; hebben miljoenen verdiend, terwijl het bedrijf of de staat failliet
gaat.... ‘ Mijn buurman draaft door. Ook zijn bootje helt gevaarlijk naar een
kant. ‘Weet je wat die financiële crisis in het totaal heeft gekost?’
‘Nee’, zeg ik onschuldig.
‘7300 miljard euro...
‘Oh.’ Antwoord ik gelaten. Ik weet niet zo goed hoeveel 7300 miljard
euro is.
‘7300 miljard euro, roept hij door de telefoon,’ dat is 1044 euro per
aardbewoner!! Heb jij je ooit afgevraagd hoeveel de oorlog in Irak heeft
gekost? En hoe we in die oorlog verzeild zijn geraakt?’
‘Doet de NIPO daar geen onderzoek naar?’ vraag ik hem ter
geruststelling, maar hij luistert niet. Mijn buurman begint danig in de
gevarenzone te komen, besef ik me. Ik ruik de storm, en erger nog; de golven
die hij maakt maken ook mijn boot aan het schommelen. Zonder dat hij wacht op
antwoord gaat hij door. ‘De kosten van die oorlog gaat je voorstellingsvermogen
te boven, maar de werkelijke vraag is: wie heeft al dat geld verdiend? Heb je
je dat wel eens afgevraagd? Dat zijn diezelfde mensen.’
‘Wie?’
‘De mensen die aan de touwtjes trekken. Als je wat doorzoekt op Google
en gewoon kijkt wie in welk bedrijf de macht heeft, dan schrik je je rot,’ zegt
hij onheilspellend.
‘Slaap je wel genoeg?’ vraag ik bezorgd.
Mijn buurman wimpelt mijn vraag af en gaat door.
‘Weet je dat ze in Amerika aparte kampen hebben opgezet voor mensen
die zich niet willen vaccineren? Ze heten FEMA kampen....En dat de WHO die
vaccinatie verplicht kan maken? En weet je wie een grote vinger in de pap heeft
bij de WHO?’
‘De regering?’ vraag ik.
‘Nee, de farmaceutische industrie, de mensen die ook miljoenen
verdienen aan de vaccinaties. Het bedrijf dat het vaccin produceert heeft een
aantal jaren geleden per ongeluk naar onderzoekslaboratoria in 18 landen het
virus opgestuurd, in plaats van vaccin. Hoe duidelijk moet ik zijn? Per
ongeluk? Per ongeluk!?’ briest hij. ‘Weet je wat dat betekent? If it
looks like a duck, it sits like a duck, it sounds like a duck, it probably is a
duck!’
Ik weet niet meer wat ik moet zeggen.
‘Heb je dat bericht gelezen over Laura die in haar eentje over de
oceaan wil varen?’ vraag ik hem voorzichtig.
‘Wat heeft dat er nu in vredesnaam mee te maken?’ gilt hij door de
telefoon. ‘ik heb het hier over een wereldcomplot!’
Ik laat de woorden van mijn buurman langzaam tot me doordringen.
Opeens bekruipt me het bange vermoeden dat ik ook Laura ben, dat we allemaal
Laura zijn, en dat ons land de afgelopen tien jaar steeds meer op de Truman
Show is gaan lijken. Zou mijn buurman gelijk hebben? Ik denk aan de dingen die
me de afgelopen jaren zijn opgevallen. Losse incidenten, maar zet ze bij elkaar
en je krijgt een akelig nauwkeurig patroon. Een geheel van feitjes,
gebeurtenissen en toevalligheden die schijnbaar niets met elkaar te maken
hebben, maar bij elkaar een vreemd gevoel in mijn buik geven.
De premier kondigt een nieuw logo van Nederland aan; een modernere
leeuw zonder de ouderwetse spreuk ‘Je maintiendrai’ erop. Kosten 17 miljoen
euro. ‘Niemand weet immers meer wat de spreuk betekent,’ verklaart de premier.
‘Ik houd stand’, denk ik, maar tegelijkertijd heb ik het idee dat ik de enige
ben die afglijdt. Misschien is het maar beter ook om die spreuk eruit te halen.
Hij is uit de tijd.
Ik denk aan Pim Fortuyn. Met zijn kale kop, zijn vreemde
persoonlijkheid en heldere woorden was hij iemand die me wakker schudde. Hij
noemde de dingen bij de naam, zei waar het op stond en ook al was ik het vaak
niet mee eens met wat hij zei; hij bracht helderheid en frisheid in de
gelederen. Maar het duurde niet lang - een dag na bevrijdingsdag, hoe
symbolisch kan het - of zijn kop werd eraf geschoten. Hij was te ver met zijn
hoofd boven het maaiveld uitgekomen. Hij was Laura, Neo, Truman en al die
anderen.
‘Een gevaarlijke wildeman,’ had premier Kok hem genoemd. Die was nog
bezig het debacle van Srebrenica te verwerken, waar we weliswaar schuldig aan
waren, maar waar we geen politieke verantwoordelijkheid voor wilden nemen. Dat
ging namelijk veel te veel kosten.
Door de inbreng van Fortuyn moest de oude generatie van politici
het veld ruimen en een nieuwe lichting ging aan de slag: Bos, Balkenende,
Rouvoet. Maar ook al doen ze hun best, het lijkt of Nederland desalniettemin
steeds dieper wegzakt in de modder.
In het tweede deel van ‘Lord of the Rings’ komt een prachtige scene
voor: De koning van Rohan zit op zijn troon, maar is vermoeid, ziek en
uitgeblust. Hij is zich niet bewust van de strijd die er woedt in de wereld,
wentelt zich in zelfmedelijden en laat zich beinvloeden door zijn boosaardige
raadgever Wormtong. Het is het beeld wat ik krijg als ik aan de Nederlandse
politiek denk. De koning is ziek en we laten alles rustig geschieden. We staan
erbij en kijken ernaar. We zijn lethargisch en verzwakt, niet in staat om op te
treden of krachtdadig te handelen. Heldhaftig, vastberaden en barmhartig.
Helaas, niet meer. Vrij en onverveerd. Dat is verleden tijd. Normen en waarden?
Ik weet niet precies waar ze op doelen, maar ik heb toch heel andere normen en
waarden. In de tussentijd fluistert Wilders Wormtong kwade woorden in het oor
van de koning. Hij zaait angst en tweedracht dat het een lieve lust is en
niemand weet hem te stoppen.
Mijn buurman belt op. ‘Weet je hoeveel dieren er per jaar in Nederland
geslacht worden?’
’30 miljoen?’ opper ik.
‘500 miljoen! 500 miljoen!! Kippen, varkens, nertsen, koeien, paarden,
kuikens, lammeren. En weet je hoeveel kilo’s vaccins, hormonen en medicijnen
daarin gaan? Heb je daar wel eens aan gedacht? Dat is big business! En wie eet
dat uiteindelijk op, al dat spul?’
Ik hang op. Ik word gek. Vaar, Laura, vaar, denk ik. Ik ga de stad in
met de tram, maar vergeet uit te checken. ‘Dat kost vier euro, meneer,’
zegt de conducteur. ‘Maar ik heb die rit helemaal niet gemaakt! Kan u dat niet
ongedaan maken?’
‘Dat kunt u alleen bij het centraal station. Daar kunt u een formulier
krijgen en dan wordt het geld teruggeboekt op uw rekening.’ Ik pak de tram naar
het Centraal Station en vergeet van de weeromstuit opnieuw uit te checken. 8
euro, denk ik.
‘Wie heeft dit systeem in godsnaam bedacht? En: Waarom? Om personeel
te kunnen ontslaan? Om zwartrijders te kunnen vermijden (hoeveel waren dat er?
Zijn zwartrijders vooral Marrokanen?) Voldeed de strippenkaart niet meer? Een
miljoenenoperatie waarvan ik me afvraag wie er in vredesnaam baat bij heeft. De
installateur van die metalen poortjes? Of de GVB die verdient aan alle mensen
die net als ik vergeten uit te checken bij het verlaten van de
tram?
We leven in een wereld die steeds minder vrij wordt, waar steeds meer
regels gelden, steeds meer controle is, waar ondernemerszin steeds vaker wordt
afgeremd, waar bureaucratie en kafka-achtige toestanden zich voordoen, en de
burger steeds meer betutteld wordt; waar kinderen in de gevangenis worden gezet
omdat hun ouders illegaal zijn; waar we niet meer op onze paspoortfoto mogen
lachen; waar we straks verplicht moeten worden gevaccineerd; waar we via de
mobiel en OV-chipkaart tot op de seconde gevolgd kunnen worden; waar monsterprojecten
als de Noord-Zuid lijn, de BTWlijn of de Joint Fight Striker worden
doorgedrukt; waar een Europese grondwet op slimme wijze wordt doorgevoerd; waar
we onze buurman mogen verklikken als-ie zijn huis onderverhuurt; waar we
sluipenderwijs vertrouwd raken met genetisch gemanipuleerde voeding; waar
buitenlanders als gevaarlijke mensen worden gezien; waar hun religie als de
oorsprong van alle kwaad is (waar heb ik dat eerder gehoord?). De lijst is
willekeurig aan te vullen met veiligheidscamera’s, Sociale diensten, UMTS
straling, de codex Alimentarius die homeopathische middelen verbiedt .....
Terwijl we op TV vermaakt worden met steeds meer programma’s die er
volstrekt niet toe doen, louter om ons in slaap te sussen, lijken we ons niet
bewust van een sluipende dreiging die zich meester maakt van Nederland. We
worden niet bedreigd door stijgend water of een gevaarlijk virus, maar door
iets wat veel gevaarlijker is: angst. Angst voor het onbekende, angst voor het
nieuwe, angst voor chaos, angst voor onze dromen, angst voor het volgen van ons
hart... Niet doen! Niet doen! Veel te gevaarlijk!
Ik zie overal tekenen van de chaos om me heen en begin te twijfelen
aan mezelf. Heb ik als puber teveel boeken gelezen als 1984 en Brave New World?
Is er helemaal geen samenzwering? Is het alleen maar onwetendheid, verwarring,
menselijk falen? Is er geen schuldige? Geen zondebok? Noch de buitenlanders, de
belastingdienst of de regering? Maar wie dan wel? God. Die bestaat al niet meer
sinds de jaren zestig. Mijn ouders? De buurman? Ikzelf....?
Of is er helemaal geen probleem? Zie ik spoken?
‘Momenteel heerst er een jubelstemming, zegt de directeur van de
BinckBank over het beursklimaat. (Wat is de Binckbank?) Als bank hebben wij
geen mening over het verloop van de crisis, maar ik denk zelf dat we het ergste
wel gehad hebben.’ Zie je wel, ik maak problemen die er niet zijn. Ik heb
een mening over een crisis, waar zelfs de banken geen mening over hebben.
Crisis, what crisis?
Ik draai door. De storm steekt op. Mijn bootje schommelt vervaarlijk
op en neer.
Als ik weer thuis ben, kijk ik even op Google Nieuws. ‘Laura is onder
toezicht gesteld van bureau Jeugdzorg. De vader mag aanblijven. Er is nog niet
aangetoond dat hij een slechte vader is.’ Ik vrees dat een paar maanden
onderzoek weleens het tegenovergestelde zou kunnen aantonen. Wie weet was Laura
ongewild drugskoerier voor haar vader? denk ik opeens. Zit die vader ook in het
wereldcomplot. Ik weet het niet, maar het zou kunnen. Van Laura’s moeder hoor
je weinig. Die woont in het buitenland. Dat is een veeg teken. Hoe meer ik
erover nadenk, hoe meer ik er van overtuigd begin te raken dat haar vader een
gevaarlijke crimineel is, die het beste achter slot en grendel zou moeten
worden geplaatst.
Tringgg. ‘Weet je waarom de gloeilamp voortaan verboden is?’ Mijn
buurman. ‘Puur protectionisme. Dan kunnen de arme landen hun gloeilampen niet
meer kwijt. Europese bedrijven hebben inmiddels het patent op die fletse
spaarlampen. Jij dacht zeker dat dat een maatregel voor het milieu was?’
Ik kan geen woord uitbrengen. Ik leg de haak neer.
Tringg.
‘Nee, nu even niet. Het is genoeg,’ roep ik door de telefoon. Het
blijkt een medewerker van de Postbank te zijn, o nee, de ING. ‘Meneer, excuses
voor het storen, maar wilt u ook een kapitaalrekening?’
‘Ik heb niet veel kapitaal.’ antwoord ik wat uit het veld geslagen.
‘Maar dat hoeft ook helemaal niet,’ antwoord de man. ‘Zodra u wat geld
heeft, wordt het automatisch naar uw kapitaalrekening doorgeboekt, en krijgt u
daar 5 % rente op. Dan kunt u geld verdienen aan uw geld, zonder dat u er iets
voor hoeft te doen. Dan groeit uw kapitaal. Dat is gunstig voor u en gunstig
voor de economie.’
‘Dat klinkt heel fijn,’ antwoord ik, ‘maar ik hoef niet echt te
verdienen aan mijn geld. Ik wil alleen maar dat u het bewaart.’
‘Wilt u niet verdienen?’ vraagt de medewerker verbluft. ‘Maar dat wil
toch iedereen?’
Ik denk aan Truman en aan Laura. ‘Ik wil mijn droom achterna.’
‘Maar dat is nu precies wat ik bedoel,’ roept de man opgetogen. ‘Als u
een kapitaalrekening opent kunt u later, als u veel kapitaal hebt verzameld,
alle dromen achterna jagen die u heeft. Is dat niet geweldig?’ en de man laat
een veelbelovende stilte klinken.
‘Nee, dank u. Ik laat het liever zoals het is.’
‘Maar, meneer, u krijgt het gratis. U hoeft er niets voor te doen!’ De
man smeekt me.
‘Toch niet, dank u wel.’ Ik wordt steeds vastbeslotener. Ik moet
denken aan een vriend van me die huizenmakelaar is geweest en na de
huizencrisis uit de business stapte. ‘Een huis is om in te wonen, niet om aan
te verdienen,’ zei hij. ‘Dat geldt ook voor geld.’ Ik moest lang nadenken over
zijn woorden.
‘Alstublieft, meneer, wilt u het doen voor mij?’ klinkt de stem van de
medewerker na een lange en beladen stilte. ‘Ik krijg er namelijk provisie op.’
De schaamte klinkt door de telefoon. Ik heb meelij met de man.
Ik moet denken aan het verhaal van Momo, waar de grijze heren
langzamerhand de wereld in hun greep krijgen. De vertrouwde Postbank heeft
plaatsgemaakt voor de deftige ING. Internationaal, niet meer zo kneuterig
nederlands, weg met dat giroblauw past bij jou; dat past helemaal niet. Het
gaat om groot geld, professinaliteit, modern bankwezen, een zakelijke markt die
om innovatie vraagt. Geen oude blauwe giromaten, maar frisse oranje. Momo,
Laura, Truman, Neo, Frodo… de lijst wordt steeds langer, het systeem
steeds ingewikkelder. We hebben meer wildemannen nodig, of narren, of kinderen
die zich niets aan trekken van kinderrechters. Waar zijn de Pietje Bellen, de
Swiebertjes, de Tita Tovenaars, de Floris en Sindala's, de Hansje Brinkers van
Nederland? Diegenen die als het water aan de lippen staat de moed hebben om hun
hart te volgen.
‘Ik snap hoe het in elkaar zit,’ zegt mijn buurman als ik hem bel om
te vragen hoe het er mee staat. ‘Kijk, vroeger speelden we monopoly.’ Dat weet
ik nog maar al te goed, bedenk ik me. Het spel eindigde steevast in ruzie. Mijn
oudste broer was de bank en die won altijd. Later is hij bankier geworden in
Manhattan. Hij kocht en verkocht bedrijven voor banken als Morgan Stanley. Een
lucratieve business waar hij altijd bonussen voor kreeg. Miljoenen dollars
gingen er in om, en duizenden mensen verloren er hun baan door. Als afschrift
van de bonus kreeg mijn broer een schilderijtje waarin de deal en de namen van
de medewerkende banken vermeld stonden: JP Morgan, Lehmann Brothers, The Bank
of America, ABN Amro etc. De grote jongens. Mijn broer mocht erin mee spelen,
totdat hij verloor. Hij kreeg AIDS en keerde terug naar Nederland. Ik kreeg van
hem de schilderijtjes met de bonussen, waar ik later de bonussen uit heb
gehaald en er andere plaatjes in heb geplakt.
‘Kijk, zegt mijn buurman. Als je maar lang genoeg doorspeelt is er één
winaar en de rest verliest. Dat is de opzet van het spel. Dat is in het gewone
leven ook zo.’
‘Oh ja?’ vraag ik beduusd. Ik probeer al jaren niet de verliezer te
zijn, sinds de Sociale dienst verklaarde dat ik niet levensvatbaar was. Ik
dacht dat dat aan mij lag. Blijkt dat volgens mijn buurman nu opeens door het
systeem te komen.
‘Ik zal het je uitleggen; ieder systeem waarin een exponent zit,
groeit toe naar een limiet. Dat is een wiskundige zekerheid. Ook al is het maar
één of twee procent, dat maakt niet uit. Dardoor krijg je een exponentiele
curve die eerst langzaam stijgt, uiteindelijk steeds sneller, todat –ie bijna
vertikaal stijgt. Dan zijn de rapen gaar. Steeds meer geld komt in handen van
steeds minder mensen. De grote groep verliezers – waar jij ook toe behoort -
voegt hij er terloops aan toe, moet steeds meer afbetalen via hypotheken,
inkomstenbelastingen, omzetbelasting, verzekeringen om het systeem in stand te
houden en de gigantische schulden af te betalen van geld wat uiteindelijk maar
bij een paar mensen terecht komt. Ben je daar nog?’ vraagt hij. Het duizelt me.
‘Dus we bewegen naar een limiet, een eindpunt?’
‘Klopt, dat proberen ze nog een beetje te rekken en uit te stellen,
maar het is onomkeerbaar, net zo onomkeerbaar als het zinken van de Titanic op
het moment dat er meer dan 5 laadruimen onder water lagen. Alles is met alles
verbonden, begrijp je. Als er een bank valt, valt de rest ook, omdat ze
allemaal leningen hebben uitstaan bij elkaar, die uiteinlijk gedekt zijn door
de staat. Maar wie dekt de staat? Dat zijn wij. Jij en ik. Kijk maar naar
IJsland. Die liggen al onder water.’
Als ik de hoorn heb opgelegd moet ik de rand van het bureau vasthouden
om niet weg te zakken. Het bootje van Laura is inmiddels een hele Titanic
geworden. Alles zakt weg in de diepe oceaan. Hoe komen we hier ooit nog uit?
Help, denk ik. Help, Laura.
Alsjeblieft, ga varen. Doe het voor mij, en al die anderen. Neem die
boot, kaap desnoods een schip. Wordt piraat en schrijf je in in Somalië. Ik zal
voor je bidden, en als het nodig is de Marine om de tuin leiden op mijn
surfplank. Ik offer me op. In mijn hart reis ik met je mee. ‘Vaar wel, Laura,’
mompel ik als laatste woorden voordat ik onder mijn bureau op de grond ineen
zak.
Epiloog
Als ik bij bewustzijn ben gekomen besluit ik naar de film te gaan. Ik
moet hieruit, weer nuchter worden; dat hele verhaal over Laura vergeten. Zoek
het maar uit met je boot. Ik moet overleven.
Maar het verhaal van Laura achtervolgt me meedogenloos. Ik zie het
voorfilmpje van de nederlandse film ‘De Storm’ over de watersnoodramp in 1953.
Grote golven overspoelen Nederland. Een verhaal over helden en rampspoed. Een
verhaal over overleven en vergaan. De titelsong is ‘Geef niet op.’ Geef niet
op? Maar wat moet ik dan? Hoe komen we hier ooit uit?
Graag stuur ik u dit artikel toe. U mag ermee doen wat u wilt. Er zit geen copyright op. U mag het doorsturen, copieëren, doormailen of in de prullebak doen. Allemaal goed. Ik stuur geen advocaat of rechter op u af.
Met vriendelijke groet,
Ton van der Kroon